public

De Khaliërs

Vanyë hief het kommetje water hoog boven haar kastanjebruine lokken. Het maanlicht weerspiegelde licht in het kabbelende oppervlak en voor haar torende de enorme woudreus uit;  een boom zo oud

2 maanden geleden

Laatste publicatie Grimland door uw scribent public
Vanyë hief het kommetje water hoog boven haar kastanjebruine lokken. Het maanlicht weerspiegelde licht in het kabbelende oppervlak en voor haar torende de enorme woudreus uit;  een boom zo oud als Arduyn zelf. Rondom en op de immense wortels waren verscheidene druïden, verkenners en priesteressen van Ahlénnia bijeengekomen, alleen degenen die zo diep in het woud durfden te komen om deze rite bij te wonen.“Hierbij vernieuw ik ons huwelijk, O grote Oghcaddath, en geef mij gewillig en vrij om jouw slaap te vrijwaren.”  Nerveus om wat er zou volgen dronk ze van de kom en wierp de rest over de wortel waar ze op stond.  Ze dacht even een trilling vanuit de stam waar te nemen en zocht de blik van de priesteres Gaëlle. De oudere vrouw knikte aanmoedigend en Vanyë ontdeed zich van haar gewaad. Trillend liet ze haar naakte lichaam in de holte onder de boom zakken en verdween zo geheel onder de grond. De aanwezige Khaliërs hielden allemaal hun adem in en voor lange tijd was het stil. Gaëlle wou net het bevel geven haar van onder de boom te redden toen de woudreus plots begon te schokken. De vuile hand van Vanyë verscheen tussen de wortels en zocht een weg naar de oppervlakte. Snel werd ze omhoog getrokken door een verkenner. Gaëlle haalde opgelucht adem, alweer waren ze een jaar veilig.

Geschiedenis

In de tijd van de eerste mensen bedekt een oeroud woud bijna de ganse Westelijke Vallei. In dit woud leven de Khaliërs. Ze zijn heer en meester over hun domein en indringers worden weggejaagd of gedood. Toen al voerden de Khaliërs strijd tegen de trollen die uit de oostelijke bergen het woud aanvallen.

Als de Bhanda Korr uit het verre oosten hun toevlucht zoeken in de Westelijke Vallei stoten zij op de Khaliërs die niet van plan zijn hun woud te delen met deze barbaren. Een lange strijd breekt uit tussen beide volkeren, maar de Khaliërs houden stand en de Bhanda Korr worden verplicht zich in de bergen te vestigen waar zij constant belaagd worden door trollen.

In het zuiden zijn de Khaliërs veel minder fortuinlijk. De voorouders van de huidige Goliad komen in grote getallen uit de zuidelijke landen en kappen het woud weg om plaats te ruimen voor hun boerderijen en steden. Ze gebruiken vuur en metaal tegen de meer primitieve Khaliërs, die hier tegen niet opgewassen zijn. De Khaliërs verliezen grote delen van het woud tot er zelfs geen sprake meer kan zijn van één woud. Het Khalische volk wordt gesplitst in de bewoners van twee verschillende wouden; het Woud van Arduyn in het oosten en het Woud van Lytavis in het zuiden.

Het Woud van Arduyn is de komende eeuwen het grote slagveld van de Westelijke Vallei. Khaliërs worden genoodzaakt hun thuis te verdedigen tegen trollen, Bhanda Korr, het Golyndisch rijk en de Noormannen die de gehele Vallei willen veroveren. Honderden Khaliërs sterven door de hand van de Noormannen tot de Banríon,  de spirituele leidster van de Khaliërs, zich onderwerpt aan de Mannheimse koning.

In het zuiden bereiken de Khaliërs uit het Woud van Lytavis een verdrag met het Golyndische rijk, maar de relatie tussen beide volkeren blijft uiterst koel. In het zuidelijk deel van het woud, dat zich in het grondgebied van Orestis bevindt, worden de Khaliërs genoodzaakt hun habitat te delen met de zogenaamde Amazones. Zij beschermen de zuidelijke grens van het woud tegen andere indringers en worden getolereerd.

Als de Noormannen hun invasie starten tegen het Golyndisch rijk worden de Khaliërs uit het Woud van Arduyn gezien als bondgenoten van Mannheim. Zij houden zich weliswaar grotendeels afzijdig en worden voor hun apathie ook gestraft door de Noormannen. Toen de Noormannen bij het Woud van Lytavis aankwamen vertoonden de Khaliërs daar geen verzet en gaven ze zich vrijwillig over. Alle Khaliërs worden aanzien als burgers van Heimar en staan onder bescherming van een Mannheimse heer, hoewel deze vaak nooit een stap zal gezet hebben in één van de wouden. De Banríon, zowel in Arduyn als Lytavis, wordt niet erkend als een gezaghebbende macht door de Noormannen.

Als de Noormannen het zuidelijke rijk Orestis aanvallen rekenen zij sterk op de hulp van de Khaliërs in het Woud van Lytavis, vermits dit woud het grootste deel van de zuidelijke grens bedekt. Weliswaar wordt in het woud amper gevochten. Jaren later slaagt Orestis erin terug grondgebied te heroveren, grotendeels dankzij de Amazones die de Khaliërs lafhartig verraden. Nu bevindt een groot deel van het Woud van Lytavis zich op grondgebied van Orestis. Velen vragen zich dan ook af aan welke natie de Khaliërs daar trouw zweren.

De Khaliërs die in het Woud van Larmath leven op het eiland Cambria zijn grotendeels een mysterie. Zelf beweren ze in een ver verleden naar de Westerlanden te zijn gevaren, nog voor de eerste Goliad zich in de Westelijke Vallei lieten zien. Als dit klopt zijn de Khaliërs uit Larmath oorspronkelijk afkomstig uit het Woud van Lytavis, vermits zij de kunst van het varen kennen.

Samenleving

De Khaliërs proberen zich gezien hun geschiedenis zoveel mogelijk afzijdig te houden en laten zich doorgaans niet in met conflicten tussen andere volkeren. De weg van het woud is er geen van strijd, hoewel de Khaliërs zich bekwame en woeste krijgers tonen indien het woud zelf bedreigd wordt. De verdragen die zij gesloten hebben hebben hen relatieve vrede opgebracht; de meesten onder hen brengen hun leven door in het woud waar ze opgegroeid zijn en komen weinig tot niet rechtstreeks in contact met de andere volkeren.

Het leven dat zij leiden is doorgaans een simpel bestaan waarbij zij zoveel mogelijk in contact en in harmonie met de natuur trachten te blijven. Religie speelt hierbij een belangrijke rol en elke dag vindt er in het woud wel ergens een ritueel of ceremonie plaats, of het nu is om een huwelijk in te zegenen, de zonnewende te vieren of simpelweg om te bedanken voor een geslaagde jachtpartij. De priesters van Ahlénnia genieten dan ook veel aanzien in de Khalische maatschappij. Zij komen tussen in allerhande geschillen, gaande van disputen over jachtgronden tot huiselijke geschillen. Van alle volkeren zijn de druïden hier het meest aanvaard, ook al leven deze eenzaten niet samen in een Khalisch dorp. Vaak worden zij er rond gezien als beschermers en wakers, samenwerking gebeurt dagelijks en worden dan ook vaak verward door buitenstanders.

De Banrìon is de hoogste spirituele leidster van de Khaliërs, verkozen uit alle priesteressen van Ahlénnia. Zij wordt als heilig beschouwd en de personificatie van de godin in het woud. Haar wil is wet, wat indruist tegen het gezag van de koning. Hierdoor worden Khaliërs niet echt vertrouwd want het is al eerder gebleken dat ze orders gewoonweg negeren of zelfs niet komen opdagen voor een veldslag. Clanleiders worden bij de Khaliërs bepaald door overerving. Dit is echter niet zo simpel als het lijkt; het huidige stamhoofd kan immers een opvolger aanduiden (vaak in samenspraak met de priesters) en bloedverwantschap is hierbij geen vereiste. Bovendien kan een stamhoofd ten allen tijde uitgedaagd worden als men meent dat hij zijn positie niet met de nodige waardigheid bekleedt.

Een Khaliër is vaak teruggetrokken en wantrouwend tegenover vreemden, zelfs tegenover andere Khaliërs. Eeuwen van strijd, verraad en landmisbruik hebben de Khaliërs bitter gemaakt tegenover de andere volkeren. Khaliërs reizen vaak rond gedurende hun leven, al is het vaak binnen hun woud, en hechten veel minder belang aan familiebanden dan de andere volkeren in de Westelijke Vallei. De Khaliërs maken geen onderscheid naar geslacht toe, zowel mannen als vrouwen worden individueel beoordeeld op hun daden en nemen hun positie in de stam in al naargelang hun kunnen. Afstamming en erfrecht worden echter wel bepaald via de vrouwelijke lijn. Dit is logisch aangezien binnen de Khalische maatschappij zowel polygamie als polyandrie wijdverspreid zijn en men dus aanneemt dat het veel moeilijker is om zekerheid te hebben omtrent de patriarchale lijn. Een Khaliër kiest ook steeds zelf zijn eigen naam, en zal tijdens zijn leven waarschijnlijk verschillende namen gedragen hebben, wat voor de andere volkeren een verwarrende praktijk is.

Khaliërs uit het Woud van Arduyn gaan onopvallend gekleed, vaak in lange neutrale mantels zodat ze zich snel uit de voeten kunnen maken of in het bos kunnen verdwijnen. Hun broeder en zusters uit het Woud van Lytavis komen doorgaans meer kleurrijk en versierd voor de dag.  Khalisch hertenleder uit beide wouden is fel begeerd bij leerlooiers vanwege de stevige structuur en veel Khaliërs dragen dan ook lichte pantsers gemaakt van dit materiaal.  Qua wapens is de handboog absoluut de favoriet en in de handen van een kundig schutter een zéér gevreesd en gerespecteerd wapen.

Religie

De Khaliërs vereren Ahlénnia, de Godin van het woud en de ongetemde kracht van de natuur. Zij wordt soms simpelweg De Moeder of Het Woud genoemd en is door de  druïden gekend als De Duistere. Haar weg is er een van eenheid met de natuur en van zich overgeven aan de ongebreidelde krachten die erin huizen. Hoewel haar priesters goed georganiseerd zijn en een gestructureerde overlevering en ceremoniële rituelen kennen, zijn de gaven die Ahlénnia aan hen verleent vaak onvoorspelbaar en beangstigend van aard, hetgeen hen zeer gevreesd maakt onder de andere volkeren. Deze argwaan wordt nog versterkt door het feit dat de kennis die deze ordes bezitten strikt geheim gehouden wordt voor iedereen die niet ingewijd is, en er ook binnen de orde een strenge hiërarchie bestaat waardoor enkel de hoogste graden van initiatie toegang verlenen tot bepaalde overleveringen.

Ahlénnia is een godin met vele gezichten. Zij is tegelijkertijd een zachtaardige moedergodin, een wrede doodsdryade, een wijze oude vrouw en een speels kind. Boven alles is zij, net als de natuur, onvoorspelbaar.

In dit licht zien de Khaliërs ook haar huwelijk met Hymir. Hymir staat voor hen voor het mannelijke aspect in zijn meest dominante vorm, en dankzij zijn huidige positie is hij een geschikte partner voor Ahlénnia. Zij gelooft immers dat tegen de stroom ingaan geen zin heeft; men kan veel meer bereiken door zich eraan over te geven en op subtiele vrouwelijke wijze de loop van de geschiedenis te beïnvloeden. Eigen aan haar onberekenbare aard wordt er echter beweerd dat Hymir niet haar enige partner is, monogamie is immers een menselijk bedenksel en geen natuurlijke staat. Er zijn geruchten over een veel oudere relatie met een god die enkel bekend staat als De Gehoornde. Niemand weet hier echter het fijne van, behalve misschien enkele priesters.

Tallathan is voor Ahlénnia en haar volgelingen van ondergeschikt belang. Zij zien hem als een dwaas die zich heeft afgekeerd van zijn connectie met de kracht van de natuur en als dusdanig zijn macht verloren heeft. Zijn positie als dienaar van Hymir zien zij als een bevestiging van dit feit. Daar waar Hymir het mannelijke en krijgslustige aspect vertegenwoordigt en Ahlénnia de wilde en duistere mysterieën van het vrouwelijke is Tallathan de ware weg kwijt geraakt en zoekt hij naar kennis op de verkeerde plaatsen.

Bekende figuren

Ywena

Ywena is de huidige Banrìon van de Khaliërs. Zij werd op uitzonderlijk jonge leeftijd verkozen tot Banrìon en heeft deze heilige opdracht met stoïcisme aanvaard. Ze wordt steeds omringd door strijdvaardige druïden en hoewel zij nooit het woud verlaat, laat zich uitstekend informeren door rondreizende barden. Ywena zal steeds enkel doordachte acties ondernemen, wat volgens sommigen wordt aanzien als ineffectief en zelfs lafhartig.

Het was Ywena die hogepriester Eldgrim Svenson ontving in het Woud van Arduyn en hem de weg van Ahlénnia wees. Voor maanden leefden zij samen in het woud als man en vrouw tot Ywena plotseling besloot dat het tijd was voor Eldgrim om Arduyn opnieuw te verlaten. Het resultaat was dat Ahlénnia werd uitgeroepen tot de goddelijke bruid van de Mannheimse god Hymir en werd opgenomen in het drieluik goden die de Alfar worden genoemd. Na het nieuws bekend geraakte, trok Ywena zich terug diep in het woud en werd zij weken niet gezien.

Een Banrìon heeft doorgaans een korte regeerperiode. Als ze niet sterft in de strijd tegen trollen of ander gevaar is deze heilige opdracht vaak te zwaar om lang uit te voeren. Velen denken dan ook dat Ywena binnenkort de priesteressen tot zich zal roepen.

Melitha

Melitha is minder gekend als haar evenknie Ywena en sommige Khaliërs trekken haar positie als Banríon van Lytavis zelf in twijfel. Zij is dan ook de eerste priesteres die zichzelf deze titel aanmeet. Haar meest bekende woorden zijn; ‘laat Ywena mijn hart uitrukken als ik lieg.’ Tot nu toe heeft Ywena zelfs geen enkele uitspraak gemaakt over haar priesterzuster in Lytavis.

De volgelingen van Melitha beweren dat al sinds lang werd voorspeld dat het Woud van Lytavis haar eigen Banríon zou ontvangen; een kind gestreeld door vuur dat wordt beschermd door een stille bewaker. Al jaren werd naar dit kind gezocht en eindelijk vonden ze de kleine Melitha; een klein meisje met brandwonden over geheel haar lichaam die zich angstig verstopte achter een doofstomme druïde. Hen van elkaar scheiden bleek onmogelijk, maar de druïde stond toe dat, de duidelijk getalenteerde, Melitha werd opgeleid als priesteres.

De nu volwassen Melitha wordt nog steeds niet door alle Khaliërs in Lytavis als hun Banríon gezien. Ze pleit voor onpartijdigheid tussen de conflicten van Heimar en Orestis, een houding die vele Khaliërs als een verraad zien aan hun broeders en zusters in Arduyn. Ook heeft ze geregeld contact met de zogenaamde Amazones en voor vele Khaliërs is hun verraad tijdens de strijd om Karnok nog steeds een open wonde. Het is afwachten of Melitha haar naam als Banríon van Lytavis kan waarmaken.

Maonirn

Maonirn, de trollenslachter, wordt aanzien als de meest dappere krijger onder de Khaliërs. Verhalen over zijn heldendaden worden verspreid over geheel Heimar, maar wat ook steeds wordt verteld is zijn legendarische vete met de Groothertog van Austland; de huidige Landschout Gotz Markvjardson. Het was namelijk Maonirn die zijn rechterhand afhakte.

Maonirn vecht al zijn hele leven tegen trollen met wat enkel bezetenheid kan worden genoemd. Hij is verantwoordelijk voor de dood van ontelbare roedels met steeds enkel de hulp van nabije Khaliërs die vrijwillig aan zijn zijde kwamen vechten. Hij heeft ook verschillende keren het leven gered van de Banríon, maar dit kunnen natuurlijk ook verzinsels zijn van de barden. Wat wel vaststaat is Maonirn de roem nooit heeft opgezocht, maar enkel gedreven wordt door zijn haat tegenover trollen en zijn strijdslust.

Over zijn beruchte strijd tegen de Groothertog van Austland zijn niet veel details geweten, maar het feit dat Maonirn zijn hoofd niet is verloren nadat hij de hand van de Groothertog afhakte spreekt boekdelen. Volgens de meeste verhalen leidde Groothertog Gotz zijn manschappen tot diep in het Woud van Arduyn in achtervolging van een trollenroedel, tegen het advies in van Maonirn die ook op deze roedel aan het jagen was. De jagers werden al snel zelf de prooi van een gigantische roedel die steeds bleef aanzwellen, tot Maonirn een duel aanging met de trotse Groothertog om hem tot inzicht te brengen. De Groothertog verloor zijn hand, maar zijn mannen bleven in leven.

Galchobhar

De naam Galchobhar is minder bekend, maar iedereen op de Westerlanden kent de Schim van Larmath. Het volk ziet hem als een krankzinnige en een moordenaar, maar vreemd genoeg kan Galchobhar rekenen op de steun van Huis Roys, de Golyndische leenheren van de Westerlanden.

Galchobhar wordt de schim genoemd omdat hij doorgaans rondzwerft aan de rand van het Woud van Larmath. Avonturiers die het wagen het woud te betreden worden door hem in de val gelokt en komen vaak gruwelijk aan hun einde. De Khaliërs uit Larmath zelf beweren dat Galchobhar enkel maar het woud beschermt, maar geven wel toe dat Galchobhar krankzinnig is.

Op zeldzame, en verontrustwekkende, momenten is Galchobhar te vinden aan het hof van Huis Roys. Hij kan dan op zijn minst een excentrieke verschijning genoemd worden. Gekleed in pelsen, een gewei als hoofddeksel en versierd met exotische symbolen over zijn hele lichaam brult en tiert hij tegen de verzamelde adel van de Westerlanden. Deze luisteren dan aandachtig naar zijn woorden, zijn niet beledigd door zijn gevloek en wachten geduldig tot hij weer gaat.

uw scribent

Gepubliceerd 2 maanden geleden